De kritiek op Big Tech gaat verder dan verslavend ontwerp. Een handvol bedrijven bezit de infrastructuur waarop media, merken en burgers dagelijks werken: de zoekmachine, de cloud, het advertentiesysteem, en steeds vaker ook het AI-model. Digitale soevereiniteit betekent dat een organisatie zelf bepaalt hoe haar data worden opgeslagen, verwerkt en beschermd. Naarmate meer van het dagelijkse werk via die paar bedrijven loopt, wordt duidelijk hoeveel van die zeggenschap is weggegeven.

Een strategisch risico

Het probleem zit in het verdienmodel van deze bedrijven. Dat draait op aandacht en dataverzameling; hun algoritmen zijn ontworpen om gebruikers vast te houden, niet om het publieke debat te voeden (Bits of Freedom, z.d.). De belangen van het platform en die van het publiek lopen daarmee niet vanzelf gelijk op.

Die afhankelijkheid raakt bovendien meer dan gemak. Ze raakt de redactionele vrijheid van media, de bescherming van persoonsgegevens en uiteindelijk de vraag wie bepaalt welke informatie een publiek te zien krijgt. Wie afhankelijk is van infrastructuur die iemand anders bezit, geeft daarmee ook een deel van de eigen keuzevrijheid uit handen. Dat is geen ongemak, maar een strategisch risico.

Een concrete tegenbeweging

De reactie daarop krijgt inmiddels concrete vormen. Publieke instellingen en mediaorganisaties stappen over op Europese en publieke alternatieven, zodat gevoelige data niet bij Amerikaanse techbedrijven terechtkomen. Nederlandse uitgevers ontwikkelen samen met TNO het publieke taalmodel GPT-NL, met een expliciet toestemmingskader voor trainingsdata. Waag Futurelab en de coalitie PublicSpaces onderzoeken hoe digitale ruimtes eruitzien wanneer democratische waarden het ontwerp bepalen in plaats van het verdienmodel.

Die keuze wordt ook strategisch benoemd. Het Position Paper Mediacluster 2040 stelt Nederland voor een fundamentele vraag: het land kan hoogwaardige gebruiker blijven van mondiale platformarchitecturen, of zich positioneren als mede-architect van eigen ecosystemen waarin creativiteit, technologie en publieke waarden samenkomen (Van Mastrigt, 2026). Meelopen of meebouwen, dat is de kern van de afweging.

Elke technologiekeuze is een waardenkeuze

De conclusie is dat technologie nooit neutraal is. Elke technologische keuze, welke software, welk platform, welk AI-model, is daarmee ook een keuze over waarden en afhankelijkheid. Wie een tool selecteert, kiest impliciet ook voor een dataregime, een machtsverhouding en een mate van eigen zeggenschap.

Voor makers, mediaorganisaties en opleiders betekent dit dat digitale soevereiniteit geen abstract beleidsonderwerp is, maar een dagelijkse ontwerpvraag. De vraag is niet alleen of een systeem werkt, maar ook wie het bezit en wat dat betekent voor de eigen onafhankelijkheid.

Dit artikel komt uit mijn rapport Creativiteit als infrastructuur.