In de creatieve sector automatiseert het uitvoerende werk, en juist starters en zelfstandigen voelen dat het eerst. Van de werkenden in de culturele en creatieve sector gebruikt 42,8 procent dagelijks of wekelijks generatieve AI. Bijna één op de vijf zzp’ers ziet het inkomen dalen en 65 procent verwacht verdere druk (Boekmanstichting & Creatieve Coalitie, 2025). De verschuiving is dus geen toekomstbeeld meer, maar iets dat nu gebeurt.

Waarom starters het eerst voelen

Dat juist nieuwkomers geraakt worden, heeft een logische oorzaak. Algoritmes zijn getraind op gemiddelde data. Ze doen goed wat vaak voorkomt, en dat is precies het soort routinewerk waarmee juniors traditioneel binnenkwamen. Specialisten met een eigen signatuur onderscheiden zich makkelijker van een systeem dan iemand die nog aan het begin van het vak staat.

Ook internationaal onderzoek wijst die kant op: juist de best presterende freelancers ervaren de scherpste terugval (Hui, Reshef & Zhou, 2024). De Sociaal-Economische Raad spreekt daarom liever van transformatie dan van het verdwijnen van werk (SER, 2025). Het werk gaat niet weg, maar verschuift van uitvoering naar oordeel: AI levert de output, de mens bepaalt de outcome. Tegelijk verlaagt AI de drempel voor autonome makers, want productiebeperkingen vallen weg en de persoonlijke visie wordt het onderscheidende kenmerk.

Een dubbel probleem

Voor de instroom van nieuw talent ontstaat zo een knelpunt. Opdrachtgevers bouwen interne teams, AI neemt routinewerk over en bureaus zien hun juniorvacatures afnemen. Dat is een dubbel probleem. Bureaus hebben jong talent nodig dat digitaal denkt, maar het instapwerk waarmee dat talent werd ingewerkt bestaat steeds minder. De route waarlangs starters het vak leerden, brokkelt af terwijl de behoefte aan die starters blijft.

Dat knelpunt is nog ongelijk verdeeld. Eigen vacatureonderzoek laat zien dat AI-vaardigheden nog zelden voorkomen in klassieke instapfuncties en stages: geen van de onderzochte stages en de meeste omroepvacatures voor content makers noemen AI. Bij marketing- en bureaufuncties ligt dat anders. Radio 538 vraagt content creators die naast Photoshop en montagesoftware ook ‘handig zijn met AI-tools’, en op vacaturesites is inmiddels een aparte categorie ‘AI Content Creator’ ontstaan, los van de gewone contentcreator-vacatures. De druk verschuift dus eerst in de marketinglaag van de sector, voordat ze de klassieke instapfuncties bereikt.

Een tweede, scherpere mismatch

Onder dit knelpunt zit een dieper probleem. De nieuwe beroepen die op de snijvlakken van creativiteit, technologie en publiek ontstaan, vragen niet alleen AI-kennis, maar vooral het beoordelingsvermogen om AI-output te kunnen keuren. Dat overzicht ontstaat niet uit een cursus, maar uit vlieguren: jaren praktijkervaring in het vakgebied zelf.

Daarmee ontstaat een dubbele achterstand. De huidige medioren hebben die vlieguren wel gemaakt, maar missen ervaring met AI. De nieuwe junioren kennen AI vaak beter dan hun voorgangers, maar hebben nog geen vlieguren gemaakt in het vakgebied zelf. Geen van beide groepen bezit op dit moment de volle combinatie die de nieuwe beroepen vereisen. Dat pleit niet voor bijscholing van de één of opleiding van de ander apart, maar voor een andere indeling van de juniorcategorie zelf: niet één ongedifferentieerde instapfase, maar een bewuste, tijdelijke fase waarin AI-kennis en vakervaring elkaar nog moeten inhalen.

Eerst de opleiding, dan het beroepenveld, dan samen

De oplossing ligt niet bij opleiding of werkveld alleen, maar de volgorde waarin ze aan zet zijn, is niet willekeurig. Curriculum voor deze nieuwe beroepen ontstaat namelijk niet achter het bureau van een docent.

De opleiding kan twee dingen zelf doen. Vlieguren versnellen binnen het onderwijs, bijvoorbeeld via innovatielabs als MICA, waar studenten, docenten en bedrijven samen aan actuele vraagstukken werken. En de juniorcategorie in het eigen curriculum herzien: leerlijnen die AI-geletterdheid en vakkennis bewust apart, maar gelijktijdig ontwikkelen, in plaats van te veronderstellen dat ze automatisch gelijk oplopen.

Van het beroepenveld vraagt dit drie dingen. Omgekeerd mentorschap, waarbij junior en medior structureel aan elkaar gekoppeld worden: de junior brengt AI-vaardigheid in, de medior vlieguren. Een gefaseerde instroom in de nieuwe beroepen, zodat junioren niet direct in een strategische AI-rol starten, maar via een groeipad waarin AI-taken en verantwoordelijkheid toenemen naarmate vlieguren zich opbouwen. En een herdefinitie van senioriteit op twee assen, die in functieprofielen erkent dat er tijdelijk twee soorten ‘junior’ bestaan, AI-junior en vak-junior, in plaats van één lineaire ladder.

Wat opleiding en werkveld ten slotte samen moeten ontwikkelen, is het traineeship-jaar zelf: een laatste studiejaar dat als gericht traineeship werkt. Dat kan de opleiding niet alleen ontwerpen, want de vlieguren-component is inherent extern. Het vraagt een vorm waarin de student actuele AI-kennis inbrengt en het werkveld praktijkervaring teruggeeft, in gelijke richting. De opgave voor de komende jaren is helder: bouw met het werkveld een nieuwe leerroute voor de fase die verdween, in deze volgorde.

Dit artikel komt uit mijn rapport Creativiteit als infrastructuur.